Procedurenummer 19/471 Wtra AK
De klacht houdt in dat het accountantskantoor waarvoor de accountant werkzaam is, moedwillig een verkeerd beeld heeft gegeven van de waarde van het bedrijf van klager en dat de accountant daarvoor tuchtrechtelijk verantwoordelijk is. Volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer is een accountant in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of ander (fiscaal) tuchtrecht valt. De werkzaamheden zijn niet door de accountant verricht maar door een kantoorgenoot die als Register Belastingadviseur zelfstandig bij een ander college aan te spreken is. De klacht is dan ook ongegrond.De klacht houdt in dat het accountantskantoor waarvoor de accountant werkzaam is, moedwillig een verkeerd beeld heeft gegeven van de waarde van het bedrijf van klager en dat de accountant daarvoor tuchtrechtelijk verantwoordelijk is. Volgens vaste jurisprudentie van de Accountantskamer is een accountant in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk voor handelen van een kantoorgenoot die zelf onder het bereik van accountantstuchtrecht of ander (fiscaal) tuchtrecht valt. De werkzaamheden zijn niet door de accountant verricht maar door een kantoorgenoot die als Register Belastingadviseur zelfstandig bij een ander college aan te spreken is. De klacht is dan ook ongegrond.

Procedurenummer 19/358 Wtra AK
Voorbeeld van een geval waarin de driejaarstermijn van art. 22 Wtra oud pas aanvangt na voldoende bewustzijn van klager dat betrokkene (mogelijkerwijs) een beroepsfout heeft gemaakt. In de statuten van een stichting is opgenomen dat de jaarstukken vergezeld gaan van een rapport van een registeraccountant omtrent de getrouwheid daarvan. Deze statuten zijn nog in 2016 gewijzigd zonder dat deze bepaling is gewijzigd. Sedertdien mag dit niet anders uitgelegd worden als dat er jaarlijks een rapport met daarin opgenomen een controleverklaring dien te worden opgesteld. Weliswaar mag betrokkene wel een samenstellingsopdracht aanvaarden, maar ten onrechte heeft hij daarin en verklaring over de getrouwheid opgenomen, terwijl hij geen assurancewerkzaamheden heeft verricht. Voorts had hij onder deze omstandigheden moeten kiezen voor de in NVCOS 4410 opgenomen facultatieve samenstellingsverklaring, waarin expliciet is opgenomen dat betrokkene “… geen controle- of beoordelings-werkzaamheden heeft uitgevoerd die hem  in staat stellen om een oordeel te geven of een conclusie te trekken met betrekking tot de getrouwheid van de jaarrekening.”  Voorts heeft betrokkene in strijd met paragraaf 40e van NVCOS 4410 niet althans onvoldoende het van toepassing zijnde stelsel inzake financiële verslaggeving geïdentificeerd.

Berisping.

 

 

procedurenummer 19/145 Wtra AK
Behoudens bijzondere omstandigheden kan het door een accountant in zijn zakelijke betrekkingen al dan niet in rechte innemen van een civielrechtelijk standpunt - daaronder te begrijpen het opschorten van werkzaamheden in verband met het uitblijven van vermeend verschuldigde bedragen - niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt leiden. De accountant dient daarbij wel een zorgvuldige afweging te maken tussen zijn eigen belang en de voor hem kenbare belangen van zijn cliënt die als gevolg van die te nemen (rechts)maatregelen (kunnen) worden geschaad. Verder geldt dat een accountant slechts op door hemzelf opgestelde stukken (in beginsel) een retentierecht heeft. Bezien tegen deze achtergrond heeft de Accountantskamer niet vast kunnen stellen dat betrokkene in strijd met enig fundamenteel beginsel de toegang tot de online-administratie van klaagsters heeft geblokkeerd, communicatie met de vertegenwoordiger van klaagsters heeft geweigerd, werkzaamheden heeft opgeschort of heeft geweigerd domeinen over te dragen. Wat die overdracht betreft is de veronderstelling van klaagsters dat betrokkene de domeinen zonder meer had moeten overdragen onjuist. Het gaat immers niet om teruggave van door klaagsters aan betrokkene verstrekte administraties (waarover zij zelf niet meer beschikten) maar om het resultaat van de op maat gemaakte specifieke inrichting voor klaagsters en de digitale verwerking van die administraties door betrokkene. Tot slot is niet aannemelijk geworden dat betrokkene klachtwaardig heeft gecommuniceerd. De klacht is daarom in al haar onderdelen ongegrond.

Procedurenummer 19/340 Wtra AK
Klaagster verwijt aan de accountant, dat hij heeft geweigerd om aan haar mee te delen welke accountant namens het accountantskantoor, waarvan de accountant volgens klaagster de voorzitter van de raad van bestuur is, tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor de accountantswerkzaamheden die zijn verricht als externe beoordelaar in het kader van het Uniform Herstelkader Rentederivaten. Deze klacht is ongegrond, reeds op de grond dat betrokkene op het moment dat het verzoek werd gedaan, geen bestuurder meer was van bedoeld accountantskantoor. Ook om andere redenen kan de klacht niet slagen.

 

Procedurenummer 18/2054 Wtra AK
Klager had samen met een ander aandelen in een vennootschap. In 2018 is hij met zijn mede-aandeelhouder overeengekomen dat hij diens aandelen zou overnemen. De accountant heeft de opdracht gekregen om de waarde van aandelen in een onderneming van klager per 1 april 2018 te bepalen, daarbij uitgaande van de intrinsieke waarde van de onderneming en de prognose 2018/2019. De waardebepaling zou bindend zijn. Klager verwijt aan de accountant onder meer dat de rapportage fouten bevat en niet onderbouwd is en dat hij is uitgegaan van aannames en onrealistische toekomstverwachtingen. Dit klachtonderdeel is gegrond. De accountant heeft de veronderstellingen met betrekking tot de prognose over 2019 onvoldoende uitgewerkt; onder meer heeft hij niet toegelicht hoe hij het vertrek van één DGA en de gevolgen daarvan voor de omzet in de toegepaste veronderstellingen heeft meegenomen. De accountant heeft verder zich ten onrechte tegenover klager op het standpunt gesteld dat voor het corrigeren en aanpassen van de door hem opgestelde waardebepaling een aanvullende opdracht nodig is, zodat de klacht op dit onderdeel eveneens gegrond is. Correcties die noodzakelijk zijn om te komen tot een rapportage met een deugdelijke grondslag dienen immers zonder meer te worden doorgevoerd, waarbij het wel aangewezen is dat eventuele correcties en wijzigingen naar aanleiding van opmerkingen van de ene opdrachtgever ook worden voorgelegd aan de andere opdrachtgever. Dit is met name van belang in een situatie als hier aan de orde, waarbij beide opdrachtgevers tegenstrijdige belangen hebben. Schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Maatregel: berisping.

Procedurenummer 18/2401 Wtra AK
Betrokkene was werkzaam bij een accountants- en belastingadvieskantoor dat was ondergebracht in de vennootschap van klagers (verder: de vennootschap). Betrokkene heeft zijn arbeidsovereenkomst met de vennootschap tegen 1 januari 2018 opgezegd en is met een oud werknemer (verder: A) van de vennootschap een eigen accountants- en belastingadvieskantoor begonnen. Klagers verwijten betrokkene dat hij geld heeft geleend van een cliënt; het concurrentiebeding heeft geschonden; cliëntenverlies heeft veroorzaakt; werkzaamheden onzorgvuldig heeft verricht; een door hemzelf opgestelde jaarrekening heeft beoordeeld en zich negatief over één van de klagers heeft uitgelaten. Met betrekking tot de geldlening heeft betrokkene voldoende maatregelen genomen om zijn objectiviteit te waarborgen. Er is geen sprake van schending van het concurrentiebeding, omdat betrokkene de betreffende werkzaamheden heeft verricht met toestemming van klagers en hij klagers bovendien van die werkzaamheden op de hoogte heeft gehouden. De klanten die klagers verloren hebben zijn klant geworden van A en tussen de vennootschap en A bestond geen concurrentiebeding. Dat betrokkene werkzaamheden onzorgvuldig zou hebben verricht is door klagers niet aannemelijk gemaakt. Betrokkene heeft voor wat betreft de bedreiging van zijn onafhankelijkheid met betrekking tot de samenloop van de samenstellingsopdracht en de beoordelingsopdracht, voldoende maatregelen getroffen om de onafhankelijkheid te waarborgen. Klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene zich op onbehoorlijke wijze negatief heeft uitgelaten over één van de klagers. De klacht is derhalve in al haar onderdelen ongegrond.

Procedurenummer 14/3085 Wtra AK
Betrokkene heeft niet voldoende en geschikte controle-informatie verkregen ter onderbouwing van zijn verklaringen met name ten aanzien van de post “Nog te verrekenen inzake geleverde elektra en gas” en ten aanzien van de werking van de administratieve organisatie. Daarnaast heeft betrokkene de controle met een onvoldoende professioneel-kritische instelling uitgevoerd en afgerond. De Accountantskamer rekent betrokkene in dat kader aan dat hij duidelijke signalen van een gebrek aan integriteit van het bestuur niet nader onderzocht heeft, behoudens door zich te verstaan met dat bestuur. Onbegrijpelijk is het dat betrokkene, nadat het boetebesluit van de NMA in december 2011 bekend was geworden, vanwege het daaruit af te leiden gebrek aan integriteit van het bestuur geen, althans onvoldoende aanvullende controlemaatregelen heeft ingezet om met een verscherpte professioneel-kritische blik te beoordelen welke gevolgen hij daaraan zou moeten verbinden. Dit geldt in nog sterkere mate voor de controle van de jaarrekening van de moedermaatschappij omdat betrokkene toen ook op de hoogte was van de weigering van de aandeelhouders om de jaarrekening van de dochter vast te stellen en het bestuur decharge te verlenen, een onderzoek door Deloitte naar de jaarrekening van de dochter en een aanhangig gemaakte enqueteprocedure. In het voordeel van betrokkene wordt meegewogen dat hij uitzonderlijk lang op de beslissing van de Accountantskamer heeft moeten wachten, en dat hij zich vrijwillig als extern accountant uit het AFM-register heeft doen uitschrijven. Waarschuwing.

Procedurenummer 18/738 Wtra AK
Betrokkene is door de strafrechter veroordeeld vanwege (kort gezegd) het valselijk opmaken van goedkeurende controleverklaringen. Hij is tegen het vonnis van de strafrechter in hoger beroep gegaan. Tuchtrecht en strafrecht kunnen naast elkaar worden ingezet, omdat het gaat om verschillende normschendingen en het tucht- en het strafrecht verschillende doelen dienen. Er is daarom geen grond voor aanhouding van de tuchtprocedure totdat in de strafzaak onherroepelijk is beslist. Dat betrokkene zich niet vrij voelt om in de tuchtprocedure inhoudelijk verweer te voeren, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat klager (het OM) bij de onderhavige strafprocedure mogelijk ook een belang heeft dat niet samenvalt met de doelstelling van de tuchtrechtspraak, betekent op zichzelf en zonder meer nog  niet dat sprake is van misbruik van tuchtrecht. Voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene onvoldoende en ongeschikte controle-informatie heeft verkregen bij de controle van een aantal posten in de jaarrekeningen (waaronder de bezoldiging van de bestuurder). Daardoor heeft hij geen deugdelijke grondslag verkregen voor de afgegeven controleverklaringen. De door klager aangevoerde omstandigheden (onder meer een omvangrijke en structurele geldstroom zonder dat daar facturen of schriftelijke contractuele verplichtingen tegenover stonden; een lening aan de bestuurder en een lening aan een andere entiteit waarvoor geen zekerheden zijn gesteld en waarop, hoewel dat wel was afgesproken, nooit is afgelost) vormen subjectieve indicatoren, waarin betrokkene aanwijzingen had moeten zien voor ongebruikelijke transacties zoals bedoeld in de Wwft. Voldoende aannemelijk is dat betrokkene een aandeel heeft gehad in het achteraf aanvullen van notulen van een vergadering van de Raad van Toezicht van de entiteit, zonder  dat hij zich ervan vergewist heeft dat de onderwerpen die hij aandraagt, daadwerkelijk zijn besproken en dat daarover  beslissingen zijn genomen. Daardoor heeft betrokkene meegewerkt aan het tot stand komen van onjuiste of onvolledige gegevens. Definitieve doorhaling voor drie jaar.

Procedurenummer 18/2053 Wtra AK
De Accountantskamer wijst het verzoek tot benoeming van een deskundige (art. 37 Wtra) af. Een rapportage van een deskundige is niet noodzakelijk  om tot een oordeel te komen over de voorliggende klacht. In het tuchtrecht gaat het bovendien om het belang van een goede beroepsuitoefening door accountants. Het actief beëindigen van een conflict tussen partijen dient als zodanig geen tuchtrechtelijk doel en gaat dan ook de bevoegdheid van de Accountantskamer te buiten. Ook gaat het algemeen stelling nemen in een maatschappelijk debat het bestek van de tuchtrechtprocedure te buiten. Aan betrokkene is een opdracht gegeven om een juridische fusie te onderzoeken en daarover te rapporteren (art. 2:328 BW). Betrokkene heeft de opdracht geaccepteerd in de wetenschap dat hij geen ervaring had met complexe vraagstukken waarvan hier sprake was en heeft bij de opdrachtaanvaarding meerdere formele regels niet nageleefd. Verder is hij zich onvoldoende bewust geweest van mogelijke bedreigingen van het zich houden aan de fundamentele beginselen als gevolg van het ontstane en steeds hoger oplopende familieconflict. Bij de uitvoering van de opdracht is betrokkene teveel afgegaan op de informatieverstrekking door derden in plaats van zelf onderzoek te doen. Verder heeft betrokkene onvoldoende werkzaamheden verricht en op onzorgvuldige wijze gerapporteerd. Gelet op de grote financiële - en andere - belangen van de bij de herstructurering betrokken partijen wordt dit betrokkene aangerekend. Met de hiervoor omschreven gedragingen heeft betrokkene gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en met het conceptueel raamwerk als bedoeld in artikel 21 VGBA. Maatregel: tijdelijke doorhaling van één maand. Daarbij is meegewogen dat betrokkene op de zitting te kennen heeft gegeven dat hij heeft besloten niet langer assurance-opdrachten te zullen aanvaarden en verder dat aan hem niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd.