Persbericht 22 november 2019

Sandra Schreuder nieuwe voorzitter Accountantskamer

Sandra Schreuder is de nieuwe voorzitter van de Accountantskamer. De voordracht van de Minister van Financiën is op 11 november door de Koning bekrachtigd. Door de benoeming neemt zij op 1 januari 2020 officieel de voorzittershamer van het tuchtcollege over van Michiel Werkhoven. Hij stapt over naar het team Strafrecht van de rechtbank Overijssel.

Dienend en verbindend

Schreuder is senior rechter bij de rechtbank Overijssel en is sinds april van dit jaar aan de slag bij de Accountantskamer. Als voorzitter is zij bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de koers van het college en voor de kwaliteit en inhoud van de tuchtrechtspraak. “De rol van voorzitter zie ik als dienend, inspirerend en verbindend. Dat past per definitie bij het karakter van een tuchtcollege waar juristen en accountants samen de klachten behandelen. Deze rol past heel goed bij mij als persoon. Daarnaast blijf ik zittingen doen, ik vind het belangrijk dat ik verbonden ben en blijf met de inhoud” zegt Schreuder.

Innovatie

Innovatie heeft daarbij haar speciale belangstelling: “Partijen hebben recht op een voortvarende procedure en zorgvuldige beoordeling van een klacht. De belangen daarbij zijn groot. Goed toezicht in de snel veranderende en digitaliserende samenleving en de uitdagingen die dat met zich meebrengt, vragen ook om innovatie binnen het college. In mijn rol als voorzitter draag ik daar graag aan bij.”

Juiste persoon

“Met een gerust hart draag ik in het nieuwe jaar de voorzittersfunctie over aan Sandra Schreuder,” aldus de huidige voorzitter Michiel Werkhoven. “Zij is de juiste persoon op deze positie en past in het team waaraan zij leiding geeft.” Werkhoven richtte in mei 2009 de Accountantskamer op en stond ruim 10 jaar aan het roer. Nu is het volgens hem tijd voor een nieuwe stap. Als strafrechter in de rechtbank Overijssel gaat hij zich bezig houden met grote fraudezaken.

Loopbaan

Schreuder was in het verleden al eens voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidzorg Amsterdam. Zij heeft zich onder meer bezig gehouden met de verkorting van de doorlooptijden van klachten en het opzetten van het communicatie- en persbeleid van de medische tuchtcolleges. Daarnaast heeft zij langdurig gewerkt in het civiele en insolventie-team binnen de Rechtspraak.

 

Procedurenummer 19/344 Wtra AK
Tot de opdracht van betrokkene behoort het jaarlijks opmaken van de uitwerking van de verrekening van de vermogens van echtgenoten op grond van de tussen hen geldende huwelijksvoorwaarden (verder HV). De echtgenoten zijn gescheiden. Gelet op de HV heeft betrokkene de uitwerkingen over een (groot) aantal jaren te laat opgemaakt. De klacht die daarover gaat is, met uitzondering van de uitwerking over 2015, niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zes- en driejaarstermijn. Voor zover de klacht betrekking heeft op 2015 is deze ongegrond, omdat de uitwerking over dat jaar tijdig heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft niet voldaan aan zijn zorgplicht, omdat hij de ex-echtelieden niet heeft geïnformeerd over de (grote) risico’s van het niet (tijdig) voldoen aan het in de HV opgenomen verrekenbeding. Bij de uitwerkingen van de verrekeningen heeft betrokkene het begrip inkomsten zoals dat in de HV was gedefinieerd, onjuist verwerkt. Betrokkene heeft niet voldaan zijn verplichting om documenten gedurende zeven jaar te bewaren. Betrokkene heeft klager niet willen informeren over de klachtregeling van zijn kantoor. Maatregel: berisping

Procedurenummer 19/1024 Wtra AK
Betrokkene heeft de uittredende vennoot van een VOF geadviseerd, onder meer over de waarde van het bedrijf. Klaagsters zijn de VOF en de andere vennoot. Zij verwijten betrokkene dat hij zich partijdig en niet objectief heeft opgesteld. Betrokkene is echter steeds duidelijk geweest over het feit dat de uittredende vennoot zijn opdrachtgever was, en dat hij een partijbelang diende en niet dat van de VOF. Klaagsters hebben betrokkene verder verweten dat zijn voorstellen niet waren gebaseerd op onderzoek en dat hij hun wel onderbouwde voorstellen zonder onderbouwing heeft afgewezen. Betrokkene heeft erkend dat hij bij de onderhandelingen hoog heeft ingezet; hij wilde voor zijn opdrachtgever een zo goed mogelijk resultaat behalen. Later heeft hij de voorstellen naar beneden bijgesteld. Niet is gebleken dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. De klacht is ongegrond.

Procedurenummers 19/1961, 19/1962 en 19/1963 Wtra AK
Verzoek om herziening van onherroepelijke beslissing van de Accountantskamer door oorspronkelijke klager. Verzoek kennelijk niet-ontvankelijk; artikel 39 Wtra. De Wtra kent de mogelijkheid tot het doen van een verzoek om herziening van een onherroepelijke uitspraak niet. Een dergelijk verzoek om herziening is dan ook in beginsel niet mogelijk. De algemene beginselen van behoorlijk (tucht)procesrecht brengen mee dat in bijzondere gevallen herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak. Alleen door degene over wie was geklaagd kan herziening worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak waarbij een maatregel is opgelegd. Het is voor een oorspronkelijke klager niet mogelijk om een verzoek om herziening in te dienen. Verzoeker heeft zich, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, op het standpunt gesteld dat uit deze bepalingen volgt dat ook voor hem, als oorspronkelijke klager, de mogelijkheid dient te bestaan om te verzoeken om herziening. Er is geen sprake van een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De strafrechtelijke poot van artikel 6 EVRM is daarom niet van toepassing. De voorzitter volgt voor wat betreft de civielrechtelijke poot van artikel 6 EVRM het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 18 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:52), gelezen in samenhang met de onderdelen 3.9 tot en met 3.11 van de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2018:47), waarnaar de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4.2 van zijn arrest verwijst. Samengevat is de conclusie dat bij een verzoek tot heropening van een tuchtzaak geen sprake is van vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen. De voorzitter is van oordeel dat de lacune in de wet om een verzoek om herziening in te dienen, niet leidt tot vaststelling van enige burgerlijke rechten en verplichtingen van verzoeker. De civielrechtelijke poot van artikel 6 EVRM is daarom niet van toepassing.

 

Procedurenummer 19/1267 Wtra AK
Klager en zijn medeaandeelhouder/bestuurder hadden na het opzeggen van de aandeelhoudersovereenkomst een geschil over de waarde van de goodwill. Deze medebestuurder heeft via de telefonische helpdesk vragen hierover gesteld aan betrokkene. Deze heeft hierop geantwoord, in de wetenschap dat het ging om een geschil tussen twee bestuurders die allebei klant van het kantoor van betrokkene waren. Betrokkene heeft de mogelijke bedreiging voor het naleven van het fundamentele beginsel van objectiviteit niet onderkend. In strijd met artikel 21 van de VGBA, hetgeen ook strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid oplevert. Maatregel: waarschuwing.

 

Procedurenummer 19/329 Wtra AK
Klacht met betrekking tot de objectiviteit. Twee heren dienen. Een accountant verricht voor zowel BV1 als BV2 werkzaamheden. De accountant wordt betrokken bij het opstellen van de tekst van de koopovereenkomst van de aandelen van BV2 door BV1. Na de totstandkoming van de overeenkomst van aandelenoverdracht was hij belast met het samenstellen van de jaarrekening van de BV2, over 2014. De inhoud hiervan kon van invloed zijn op de hoogte van de door BV1 te betalen koopsom. Daarom is er een bedreiging van de objectiviteit van de accountant. In de koopovereenkomst is bepaald dat de verkoper de jaarrekening over 2014 mag laten beoordelen door derden. De accountant heeft de bedreiging dus onderkend. De Accountantskamer is van oordeel dat slechts het opnemen van deze bepaling in de koopovereenkomst onvoldoende was om de objectiviteit van de accountant bij het opstellen van de jaarrekening over 2014 te waarborgen. Klacht gegrond. Waarschuwing.

 

procedurenummer 19/1740 Wtra AK
Wraking door accountant van alle behandelende rechters. Een grond voor de wraking is te laat aangevoerd en wordt daarom niet besproken. De overige gronden worden afgewezen. Het stellen van vragen ter zitting waaruit kan worden afgeleid hoe de rechter over een als verweer aangedragen standpunt oordeelt kan geen grond voor wraking zijn omdat daarmee oordeel wordt gegeven dat alleen toekomt aan de rechter in hoger beroep.  Procesbeslissingen (behandeling verzoek klaagster om de deuren te sluiten/niet schorsen van de zitting/beslissingen over verzoeken met betrekking tot door klaagster ingezonden stukken) kunnen nooit grond voor wraking vormen. De (ontbrekende) motivering voor deze beslissingen kan gelet op de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven bezien niet worden verstaan als blijk van vooringenomenheid van de rechters. Scherpe wijzen van ondervragen op de zitting is (hoewel sommige woorden ongelukkig gekozen waren) geen bijzondere omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor vooringenomenheid.

Procedurenummer 19/508 Wtra AK
Klager stelt dat betrokkene de post “contant uitbetaald” niet correct heeft verwerkt, waardoor, de (door een andere accountant opgestelde) jaarrekening niet klopt. Betrokkene heeft klager duidelijke instructies gegeven over de wijze waarop de kasoverzichten moesten worden ingericht. Desalniettemin bleven kasverschillen bestaan die, ondanks vragen daarover van betrokkene, niet door klager konden worden verklaard. Betrokkene heeft de posten waarover onduidelijkheden bestonden tijdelijk onder “overige algemene kosten” geboekt, met de bedoeling daar verder onderzoek naar te doen. Daar is betrokkene echter niet meer aan toegekomen, omdat klager betrokkene heeft laten weten geen gebruik van zijn diensten meer te willen maken. Als gevolg van de beslissing van klager is betrokkene aan het uitzoeken van de vraagposten en het vervolgens correct boeken daarvan ten behoeve van het opstellen van de jaarrekening niet meer toegekomen. Dit leidt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.